EV100 – VI

Het rekruteren van nieuwe soldaten bleek succesvol. Op gegeven moment bestond het Estse leger uit meer soldaten, 16000, dan het in Estland aanwezige Rode Leger, bestaande uit 12000 man. Deze overmacht wist de invasie te stoppen, en sloeg om in een Ests tegenoffensief.

Op 7 januari heroverden de Esten Tapa, even ten oosten van Tallinn, 12 januari viel Rakvere weer in Estse handen. Vijf dagen later, op 17 januari, landde op het strand van Udria een Fins-Estse eenheid, bestaande uit 1000 soldaten die een dag later Narva innamen. Jaan Anvelt en Leon Trotski, die daar toevallig aanwezig was, wisten te ontkomen.

De opmars van het Estse leger was niet te stoppen. De pantsertreinen, die Laidoner liet bouwen, werden strategisch ingezet. Zo ook in het zuiden, waar dankzij de inzet van een pantsertrein de stad Tartu werd veroverd. Eind januari volgden nog gevechten in de omgeving van Paju, welke gewonnen werden door Estland. Tot slot viel ook Valga weer in Estse handen, waardoor het Sovjetleger nu geheel van Ests grondgebied was verdreven. De gevechten gingen overigens wel door, maar op Lets grondgebied.

De Sovjets gaven zich niet zomaar gewonnen. Medio februari 1919 rekruteerden zij ruim 80000 soldaten die in Letland moesten gaan vechten. Het leger werd door hen het Estisch Rode Leger genoemd. In de praktijk bestond het overgrote deel van hen uit Russen. Echter zorgde deze nieuwe invasiemacht voor een nieuwe balans in de regio. Van beide kanten werd Estland weer aangevallen.

Bij Narva, zowel de stad als de rivier die als grens diende, probeerde het nieuwe Rode Leger Estland binnen te vallen. Doordat het Estse leger een bondgenootschap was aangegaan met het Noordwestelijke Witte Leger, kon die invasie afgeslagen worden. In het noorden van Letland boekte het “Estische” Rode Leger successen, zelfs enkele plaatsen in Zuid-Estland, waaronder Räpina, werden ingenomen.

Versterkingen waren inmiddels onderweg waardoor het Rode Leger voor de tweede keer teruggedreven kon worden. Op 29 maart viel de stad Petseri, reden voor het Rode Leger om zich uit die regio terug te trekken. Medio april werd in Võru nog een laatste aanval van de Russen afgeslagen.

EV100 – V

Na de capitulatie, op 11 november 1918, droegen de Duitsers de macht over aan de voorlopige regering van Estland. Veel tijd om het land op te bouwen had men niet, want slechts elf dagen later viel het Rode Leger van Rusland het land binnen.

Enkele dagen later zorgden zware bombardementen ervoor dat Narva werd veroverd op de Kaitseliit. Een burgerorganisatie die in de begindagen van de republiek Estland werd opgericht om de orde in het land te bewaren in geval van ongeregeldheden. Deze organisatie bestaat tegenwoordig nog steeds en telt ruim 15000 professionele leden en nog eens 24500 vrijwilligers.

In december 1918 viel het Rode Leger Estland binnen ten zuiden van Peipsi järv. Het Estse leger, bestaande uit slechts 2000 soldaten en de Kaitseliit, bestaande uit 14500 scholieren bevochten de Russen. Echter had men een tekort aan wapens, al werd dat gedurende de strijd deels opgelost door bewapende vrijwilligers. Onder hen zelfs Estse Baltische-Duitsers.

De Sovjets bleven terrein winnen op de Esten. Zo veroverden zij Valga en Tapa, dat op slechts 34km van Tallinn ligt. In Tartu richtten zij een bloedbad aan, waarna ook deze stad werd ingenomen. Ondertussen werd in het al eerder veroverde Narva door sympathisanten van de Sovjet-Unie de Gemeenschap van Arbeiders van Estland opgericht, onder leiding van bolsjewiek Jaan Anvelt.

De Esten bleven niet stil zitten. Minister-president en minister van defensie Konstantin Päts kondigde een algehele mobilisatie af. Tevens benoemde hij Johan Laidoner als opperbevelhebber. Als nieuwe opperbevelhebber van het leger begon Laidoner direct met het rekruteren van nieuwe soldaten. Niet zonder succes, want in januari 1919 bestond het leger van Estland al uit 14000 soldaten.

Ook vanuit het buitenland kreeg Estland steun. Het net onafhankelijk geworden Finland leverde munitie en wapens. Later dat jaar zou Finland nog eens 2000 vrijwilligers sturen om mee te vechten. Uiteindelijk trokken ruim 3500 Finnen de Oostzee over om Estland te bevrijden.

Het Verenigd Koninkrijk schonk de Esten twee op de Russen veroverde oorlogsschepen, en leverde daarnaast ook wapens en munitie. Voedselhulp kwam vanuit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

EV100 – IV

De relatieve rust kwam ten einde in februari 1917. In die maand brak de Februarirevolutie uit die het einde markeerde van het tsaristisch bewind. De nieuwe bewindhebber, Aleksandr Kerenski, stond veel minder negatief tegenover meer autonomie van minderheden dan de tsaar destijds. Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat Estland en Noord-Lijfland, het zuidelijke deel van Estland, samengevoegd werden en meer autonomie kregen. Ook werd er een voorlopig parlement gekozen, de Maapäev. Maar een zekere mate van autonomie smaakte naar meer, en het duurde niet lang voordat de Maapäev de onafhankelijke republiek Estland als doel had.

Enkele maanden na de Februarirevolutie brak in Rusland de Oktoberrevolutie uit met als gevolg dat de bolsjewieken aan de macht kwamen. Niet alleen in Rusland zelf waren bolsjewieken actief, ook in Estland waren zij te vinden. Aanvankelijk hadden zij niets tegen een vorm van autonomie, maar het besluit van de Maapäev om te streven naar onafhankelijkheid was een brug te ver. Nog vóór de start van de Oktoberrevolutie, pleegden de bolsjewieken onder leiding van Jaan Anvelt, op 23 oktober 1917, een staatsgreep. Veel effect had dat niet, ze kregen alleen Tallinn in handen. De rest van het land bleef trouw aan de Maapäev.

De Maapäev handelde direct door, onder leiding van Konstantin Päts, Jüri Vilms en Konstantin Konik, een Bevrijdings- en Reddingscomité in te stellen. Tevens verbrak de Maapäev alle contact met de Russen en besloot zij nogmaals vol in te zetten op totale onafhankelijkheid. Door deze wending dreigde een burgeroorlog, maar deze bleef uit. Niet in de laatste plaats door het oprukkende Duitse leger, dat inmiddels al aan de zuidgrens van Estland stond. De bolsjewieken trokken zicht vanuit Tallinn terug naar Petrograd en de Maapäev kon op 24 februari 1918, in de hoofdstad Tallinn, de onafhankelijke republiek Estland uitroepen.

Een dag later passeerde het Duitse leger de grens, en werd Estland bezet. De onafhankelijkheid werd genegeerd door de Duitsers, die en passant ook enkele voorvechters voor diezelfde onafhankelijkheid gevangen zette.

EV100 – III

Ironisch gezien is het verplichten van het Russisch het startsein geweest van het Ests zelfbewustzijn en nationalisme. Duits was niet langer de enige voertaal op scholen en universiteiten. Russisch kwam erbij, en dat opende de deur naar het Ests. Daarnaast beperkte deze politiek de culturele macht van de Duitstalige adel. De universiteit van Tartu was de eerste waar men zich actief bezig begon te houden met het Ests en het nationalisme.

Dit leidde ertoe dat in 1869 het eerste Estse Zang- en Dansfestival werd georganiseerd. Dit fenomeen is in de jaren erna uitgegroeid tot symbool voor de Estse identiteit en zou een rode draad gaan vormen in de onafhankelijkheidstrijd van Estland.

Niet alleen het nationalisme groeide, ook de industrialisatie was op gang gekomen. Hierdoor trokken veel Esten naar de grote steden op zoek naar werk. Steden als Tallinn en Tartu groeiden snel. Men werd ondertussen ook steeds meer bewust van de eigen cultuur. Dit leidde tot spanningen tussen de adel en de Esten, die tot uitbarsting kwamen in 1905. Tijdens deze revolutie werden onder andere landhuizen van de adel platgebrand.

Dit tot grote schrik van het tsaristisch bewind, zij zagen immers hun bondgenoten aangevallen worden. Om de vrede te bewaren werden concessies gedaan. Gekozen Estse politici mochten plaatsnemen in de doema, Ests mocht als tweede taal op scholen gegeven worden, en even belangrijk, het bestuur van de grootste stad, Tallinn, kwam in 1910 handen van de Esten. Niet zonder slag of stoot, de Baltisch-Duitse adel heeft zich hier danig tegen verzet.

Om dit heugelijke feit te vieren is drie jaar later het Estonia-theater gebouwd, geheel gefinancierd met donaties van de Estse bevolking.

EV100 – II

In 1700 brak de Grote Noordse Oorlog uit, wat een keerpunt in de geschiedenis van zowel Estland als Zweden betekende. Deze oorlog stond voornamelijk in het teken van de machtsverhoudingen rondom de Oostzee.

Tot het begin van deze oorlog was Zweden hier oppermachtig, tot grote ergernis van onder andere Rusland, Denemarken, Noorwegen en Polen. De jaren ervoor had Zweden door veel strategische zetten veel macht gekregen, en was het zelfs gelukt om het tsarenrijk de toegang tot de Oostzee te ontnemen. De oorlog was een nederlaag voor Zweden, waarin zij onder andere Estland kwijtraakte.

In 1710, en pas definitief na de Vrede van Nystad in 1721, was Estland één van de drie Baltische Gouvernementen onder Peter de Grote. Door de oorlog en uitbraak van ziekten bleef van de bevolking weinig over. Ondertussen was Peter de Grote geïnspireerd door de Baltische adel van Duitse komaf. Hij maakte gretig gebruik van hun vakkundigheid om onder andere het bestuur van het Russische Rijk te moderniseren. Tevens was de bestuurlijke indeling van de gouvernementen zo ingericht dat er tamelijk veel vrijheid was in het besturen van de gebiedsdelen. Maar de vrijheden die men had onder Zweeds bewind, werden nooit meer geëvenaard.

De betrekkelijke rust in het tsarenrijk zorgde voor een vorm van stabiliteit waarin Estland zowel economisch als demografisch de roerige periode te boven kon komen. Het begin van de 19e eeuw kenmerkte zich door het afschaffen van het lijfeigenschap. Veel Estse boeren waren gebonden aan de adel. Het afschaffen zorgde nauwelijks voor verbetering van de leefomstandigheden; die kwamen pas in de tweede helft van de 19e eeuw toen ook land verkocht mocht worden aan de boeren.

Mede door deze ontwikkeling ontstond er naast de adel een Estse middenklasse. Onderwijs en andere voorzieningen waren niet meer voorbehouden aan de Baltisch-Duitse adel. Een punt dat ook de tsaren niet ontgaan is. Het meeste onderwijs werd tot dan toe slechts in het Duits gegeven. De eerste tsaar die hiertegen in verzet kwam was Alexander III. Onder zijn bewind ging de Russificatie van start.

EV100 – I

Het is 1204 als Paus Innocentius III de in 1202 opgerichte Orde van de Zwaardbroeders bevestigt. Hij laat ze trouw beloven aan de bisschop van Riga. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist in deze regio de orde veel land wist te veroveren. De uit ridders, priesters en dienaren bestaande orde was de sterkste militaire macht in de regio. Enkele jaren later, in 1207, kreeg de orde een derde van al het veroverde land te leen. De uitbreiding van hun grondgebied bleef doorgaan door tal van veroveringen, in 1227 werd ook Reval, het huidige Tallinn, ingelijfd en voorzien van een versterkt klooster.

Datzelfde Reval zorgde indirect ook voor het uiteenvallen van de orde in deze vorm. Een conflict over deze stand met koning Waldemar II van Denemarken, een belangrijk bondgenoot, zorgde ervoor dat de paus zich wel met deze kwestie moest bemoeien. In 1236 beslechtte de paus het conflict in het voordeel van de Denen, waardoor de Orde van de Zwaardbroeders het zwaar zouden krijgen in de regio. Meerdere nederlagen en zware verliezen zorgden ervoor dat er van de eens zo sterke orde, weinig overbleef. Als gevolg hiervan werd de Lijflandse Confederatie gesticht.

De Denen en Zweden bezetten het gebied vervolgens en noemden het respectievelijk Deens Estland en Zweeds Estland. Diverse grote steden, waaronder Tallinn en Pärnu, werden lid van de Hanze, een samenwerkingsverband van handelaren en steden. In de Hanzesteden gingen steeds meer Duitsers wonen, die vanuit andere bij de Hanze aangesloten steden, naar het noorden trokken.

De eeuwen die volgden waren relatief rustig. Tot de aanvallen van Ivan de Verschrikkelijke, die het uiteenvallen van de Confederatie inluidden. Het noorden van het gebied werd in 1561 bij Zweden gevoegd, als zijnde Zweeds Estland. Het zuiden bleef, samen met het noorden van het huidige Letland, een afzonderlijk hertogdom vormen, dat feitelijk van Polen was. Pas in 1629, na het tekenen van de Vrede van Altmark, werd dit gebied bij Zweden gevoegd, genaamd Zweeds Lijfland.

100 aastat Eesti Vabariiki

Vandaag, 24 februari, is het precies 100 jaar geleden dat in Estland de volledige onafhankelijkheid werd uitgeroepen. Hoewel er in de jaren erna nog vele gevechten en bezettingen, door zowel de Duitsers als de Sovjets plaatsvonden, geldt deze datum nog steeds als mijlpaal. De heroverwinning van de onafhankelijkheid vond plaats op 20 augustus 1991, dit jaar nog maar 17 jaar geleden.

Tegenwoordig leest men nog maar weinig over Estland. De meest recente onafhankelijkheidsstrijd verliep namelijk vreedzamer dan het verplaatsen van het beeld van de bronzen soldaat in 2007. Daarnaast voldoet het land keurig aan de Europese regels met betrekking tot de staatsschuld, kon het land eenvoudig toetreden tot de euro en is de NAVO-bijdrage conform afspraak.

Verder kennen we Estland van de digitale revolutie. Men spreekt niet voor niets over E-stonia. Waar wij in Nederland al jaren tobben met een digitaal patiëntendossier en DigiD, laat Estland zien dat voor onze digitale problemen, al jarenlang een oplossing is. Het land kent immers een digitale infrastructuur die enigszins jaloersmakend is.

Ook de fysieke infrastructuur haalt nauwelijks het nieuws in het westen. Echter is Tallinn, in ieder geval tot de gemeenteraadsverkiezingen van dit jaar, de enige stad waar gratis openbaar vervoer aan de inwoners geboden wordt, zonder dat daarvoor bijdragen geleverd worden door het bedrijfsleven.

Maar wat weet men wel over Estland? De meeste reacties zijn vaak de grootste vooroordelen. Het is er koud, vast heel erg Russisch en niet geschikt voor toeristen. Op het eerste na, en dan alleen in strenge winters, is daar niets van waar. In het kader van 100 jaar Estland, een aantal blogs met hoogte- en dieptepunten uit de Estse geschiedenis.