Vaccineren in Estland loont

Het vaccineren in Estland vordert gestaag, maar gaat volgens de overheid nog net iets te stroef. Op het laatst bekend meetpunt van de Estse overheid, 27 juli 2021, zijn 552.952 inwoners volledig gevaccineerd. En dat hadden er al meer moeten zijn. Reden voor Terviseamet (Ministerie van Volksgezondheid) om te kijken of mensen niet op een andere manier gemotiveerd kunnen worden.

Daarbij schuwt men niet om bedrijven in te schakelen. Dat leidt tot bijzondere acties. Zo is het de komende dagen mogelijk om gevaccineerd te worden op de schepen van Tallink, die varen tussen Tallinn en Helsinki. In ruil daarvoor krijgt men een voucher, om dezelfde reis nogmaals te maken, maar dan op kosten van Tallink en Tallinna Sadama, de haven van Tallinn.

Daarnaast gaat Selver, Estlands grootste nationale supermarktketen, cadeaubonnen uitdelen aan mensen die zich komen laten vaccineren. In totaal zijn 1000 cadeaubonnen te vergeven aan de mensen die zich het eerst melden. 500 bonnen worden verdeeld in de wijk Lasnamäe, 500 in Narva. De vaccinatiedagen vallen samen met grote evenementen die daar gehouden zullen worden. Het is geen onverstandige zet, in beide gebieden is de vaccinatiegraad lager dan in omliggende gebieden.

Alle vaccinaties worden door gecertificeerde personen gezet, zo benadrukken Tallink en Selver.

Groene ambities

De Europese ambitie om op alle vlakken de Europese Unie te verduurzamen heeft ook gevolgen voor het Estse openbaar vervoer. Uiterlijk in 2035 moeten alle op fossiele brandstoffen rijdende voertuigen uit het openbaar vervoer verdwenen zijn. Een grote operatie, die door diverse vervoerbedrijven al in gang was gezet, blijkt uit een rondgang langs deze bedrijven.

Tallinna Linnatransport (TLT) rijdt tegenwoordig alle stadslijnen in Tallinn. Na het faillissement van MRP, dat met oudere voertuigen reed, heeft het overnemen van deze lijnen positief bijgedragen aan de luchtkwaliteit. In 2025 wil het stadsbestuur geen enkele dieselbus meer op de weg hebben. Dat lijkt te gaan lukken, inmiddels heeft TLT  al 200 gasbussen rondrijden en heeft men er nog 100 extra besteld, met de optie om nog eens 50 extra te laten produceren.

Hoewel Tallinn nu volledig inzet op bussen die rijden op biogas, sluit men elektrische bussen zeker niet uit. Men ziet de periode tussen 2022 en 2035 als transitieperiode naar een nog schoner wagenpark, met als doel om in 2035 enkel nog elektrische voertuigen op de weg te hebben. Over de trolleybussen is op dit moment nog niks bekend, enkele jaren geleden werden deze lijnen nog vervangen door reguliere (diesel-)bussen.

Tartu heeft het openbaar vervoer via een aanbesteding uitbesteed. In het programma van eisen is destijds opgenomen dat alle bussen op biogas dienen te rijden. De locoburgemeester, Raimond Tamme, wil nog geen uitspraken doen over de toekomst, enkel dat fossiele brandstoffen zeker geen optie zijn.

Biogas wordt nu nog volop gekozen vanwege de lage prijs en het feit dat het niet als fossiele brandstof wordt gezien. Biogas is niet CO2-neutraal, de productie ervan zorgt al voor uitstoot. Een goede oplossing zou waterstof zijn, maar dat is op dit moment nog te kostbaar om te produceren. Al zijn er wel grootse plannen. Onderzoeker Enn Lust van de Universiteit van Tartu heeft onderzocht wat er nodig is om op grote schaal deze brandstof te produceren.

Zo zou het mogelijk zijn om met behulp van zonne-energie deze brandstof te produceren. Er is dan wel een groot zonnepanelenveld nodig. Energieaanbieder Estiko kan hierin een rol gaan spelen, zij zijn van plan om bij het voormalige vliegveld in Raadi een dergelijk veld aan te leggen. Maar het aanleggen kost geld en investeerders zijn op dit moment schaars. Daarnaast is er op dit moment vrijwel geen vraag naar waterstof als brandstof.

Ook vanuit Tartu is die vraag er niet, althans nog niet. Tamme geeft aan dat de prijs leidend is. Zolang biogas goedkoper blijft zullen de bussen met deze brandstof blijven rijden. Op het moment dat waterstofbussen goedkoper worden, is het voor Tartu interessant om dit bij de volgende aanbesteding te eisen. Immers geldt: “hoe schoner de brandstof, hoe beter”, aldus Tamme.

Estland en de Olympische Spelen

Ruim een jaar na de oorspronkelijke startdatum zijn de Olympische Spelen in Tokio van start gegaan. De Spelen die geplaagd werden met tal van tegenslagen. Het begon in 2016 toen bekend werd dat het officiele logo al in gebruik was bij Théâtre de Liege. Daarnaast werd een stadion niet gebouwd omdat de begroting te optimistisch was; het zou twee keer zo duur worden. Vervolgens gooide corona roet in het eten, werd het evenement een jaar uitgesteld en was plots de bevolking van Japan tegen het door laten gaan van de Spelen in 2021.

Het weerhield Estland er niet van om een delegatie te sturen, bestaande uit 34 sporters en een paard. Aanvankelijk zou de delegatie uit 38 sporters bestaan, maar om uiteenlopende redenen er vier niet mee. Mart Seim ontbreekt vanwege de gevolgen van een coronabesmetting, terwijl Heiki Nabi deze spelen mist door een schorsing van twee jaar na het gebruik van doping. Nabi won in 2012 nog zilver op het onderdeel worstelen. Estland doet mee aan 14 disciplines; atletiek, worstelen, schietsport, roeien, judo, tennis, schermen, zeilen, zwemmen, paardensport, triatlon, badminton, boogschieten en wielrennen.

Op dit moment heeft Estland de eerste medaille al behaald, op het onderdeel schermen. Katrina Lehis mocht de bronzen medaille in ontvangst nemen, nadat zij won van Aizanat Murtazaeva uit Rusland. Met het behalen van deze medaille heeft Estland in totaal op de zomerspelen (sinds 1920) 9 gouden, 9 zilveren en 17 bronzen medailles behaald. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden dat van de zomerspelen van 1948 tot en met die van 1988 geen Estse delegatie aanwezig was door de bezetting door de Sovjet-Unie.

De papieren stad

In 2015 verscheen de film Paper Towns. In deze film speelt een fictieve stad een belangrijke rol. Agloe is een plaats in de Verenigde Staten die enkel op oude Esso-kaarten te vinden is. Feitelijk bestaat dit gehucht namelijk niet, het is door de cartografen verzonnen om in geval van plagiaat aan te kunnen tonen dat hun kaartmateriaal onrechtmatig is gebruikt.

Maar papieren steden komen ook voor in andere toepassingen. Bijvoorbeeld in stijlgidsen; al zijn het dan niet direct plaatsnamen die fictief zijn. Visitekaartjes in stijlgidsen worden meestal voorzien van gegevens van een fictief persoon. Ook de telefoonnummers kloppen meestal niet. Ook de Britse overheid, die enkele jaren geleden een handleiding voor het ontwerp van verkeersborden publiceerde, maakt soms dankbaar gebruik van fictieve namen.

Zo introduceerde de Britse overheid zones waarin maximaal 20 mijl per uur gereden mocht worden. Deze borden kunnen optioneel voorzien worden van een geïntegreerd onderbord, waarop bijvoorbeeld de plaatsnaam, of wijknaam inclusief stadswapen of mascotte te zien is. Ook kunnen er slogans geplaatst worden, die wijzen op de gevaren van te hard rijden. Omdat deze combinaties eindeloos zijn, besloot men om het fictieve plaatsje Beesworth in het voorbeeld te gebruiken, inclusief een afbeelding van een bij.

Veel steden en dorpen introduceerden de afgelopen jaren deze 20 mp/h-zones, al dan niet met een plaatsnaam op het bord. Maar in het plaatsje Woburn Sands ging het mis.

Toen een nieuwbouwproject werd opgeleverd, besloot de gemeente dat in deze straat, of eigenlijk de hele woonwijk, nooit harder dan 20 mp/h gereden mocht worden. Volgens de wegenverkeerswet, is het 20 mp/h-bord dan verplicht. Men besloot het bord bij de leverancier te bestellen, zonder veranderingen aan te brengen. Officieel mag je verkeersborden ook niet aanpassen, behalve deze. Zowel de verantwoordelijke afdeling bij de gemeente, als de bordenproducent hebben destijds geen aanvullende vragen gesteld.

Zodoende is het mogelijk om in Woburn Sands naar het fictieve plaatsje Beesworth te reizen. Aangezien Beesworth echt niet bestaat, zul je Greensand View in je navigatie in moeten toetsen.

Het lettertype van… de oude straatnaamborden

Een ander typisch Nederlands lettertype gaat redelijk anoniem door het leven, en was opgenomen in een NEN-norm, te weten 3225. Deze norm, die in 1962 is gepubliceerd, bevat de Nederlandse cijfer- en lettervoorbeelden. Het beoogde doel is om meer eenheid te verkrijgen bij het maken van opschriften waarbij een goede leesbaarheid het uitgangspunt is. In 1966 volgt een update van het lettertype. Er worden diverse varianten gemaakt, die uiteindelijk de naam “Rijkswaterstaat-letter” krijgen toebedeeld door de ontwerpers. Later zou dit lettertype Ovink genoemd worden, naar de esthetisch adviseur die leiding gaf aan het team verantwoordelijk voor dit lettertype.

De letters, die door Leonard Smit blijken getekend zijn, gaan vanaf dat moment een grote rol spelen in het Nederlandse straatbeeld. Straatnaamborden zullen voortaan in dit lettertype uitgevoerd gaan worden. Ook de teksten op verkeersborden, die met de introductie van het destijds nieuwe RVV1966 vernieuwd werden, worden voortaan uitgevoerd in de “Rijkswaterstaat” letter. Ook de Nederlandse Spoorwegen gebruikten dit lettertype voor de seinborden met snelheidsbeperkingen en hectometermarkeringen. Ook de complete bewegwijzering voor de scheepvaart is in dit font uitgevoerd.

Enkel de door de ANWB geplaatste bewegwijzering werd niet in dit lettertype uitgevoerd, de organisatie houdt vast aan de keuze voor een Nederlandse variant van het Amerikaanse Highway Gothic.

De wens voor een standaardletter ontstond in de jaren 40 en leidde tot een uitvraag van het Centraal Normalisatie Bureau aan enkele grote bedrijven of zij hieraan bij konden dragen. Het uitgangspunt zou DIN 1451 moeten worden. Dit Duitse standaardlettertype, dat tot op de dag van vandaag nog steeds in Duitsland als zodanig wordt gebruikt, bleek voor de opgerichte commissie niet esthetisch verantwoord. Uiteindelijk werden er 6 lettertypen ontworpen, één variant met schreef en enkele andere zonder. Deze hadden veel weg van het Britse Gill Sans en vrij weinig van DIN 1451.

Vanuit de NEN werd er ook een standaardlettertype ontwikkeld, dat vond plaats in de jaren 60 van de vorige eeuw. Ovink, die als esthetisch adviseur betrokken was, streefde naar een mengvorm van het ANWB-lettertype, dat gebaseerd was op een Amerikaans lettertype en Gill Sans. Er volgden veel schetsen, die getoetst werden op leesbaarheid. Hierbij werd ook over de grens gekeken, waaronder naar de Verenigde Staten. De resultaten van deze verregaande studies werden verwerkt in een nieuwe serie lettertypen, die het label “Rijkswaterstaat-letter” kregen. Uiteindelijk werden er vier series geproduceerd, die elk in breedte en zwaarte verschillen. Het lettertype heeft veel weg van het door Eric Gill ontworpen Gill Sans. De grootste overeenkomsten zijn te zien bij de onderkast “g” en de getallen.

De norm waarin dit lettertype werd benoemd, is in 2017 ingetrokken. De straatnaambordennorm is in de tussentijd ook aangepast; hier wordt tegenwoordig ANWB-Uu voorgeschreven. Om die reden zal “Rijkswaterstaat” minder vaak in het straatbeeld te zien zijn. Al zijn er wel uitzonderingen. Langs het water worden nog altijd nieuwe borden in dit lettertype geplaatst. Een andere plek waar dit lettertype, zeer waarschijnlijk, nog tot in de lengte van dagen te zien zal zijn, is op de Nederlandse kentekenplaten. Hoewel de lettervormen iets aangepast zijn, is dit lettertype ook gebaseerd op “Rijkswaterstaat”.

Dit artikel kwam mede tot stand door aanvullende informatie afkomstig van Rijkswaterstaat en de Nationale Bewegwijzeringsdienst

Het lettertype van… de rode stadsbussen

In 1961 vormden de gemeenten Den Haag, Amsterdam en Rotterdam samen met hun vervoerbedrijven, respectievelijk HTM, GVB en RET de Commissie Standaardisering Autobusmaterieel. Enkele jaren later na de oprichting van deze commissie voegde ook de gemeente Utrecht zich hierbij. Het doel van de commissie was om een nieuwe moderne stadsbus te ontwikkelen die ook tussen de vervoerbedrijven uitwisselbaar was. Door deze eis was er voor de vervoerder weinig ruimte om zelf veel aan het uiterlijk van de bus te veranderen.

De enige manier om de bus een eigen identiteit mee te geven, was door een logo op de achterzijde te plakken. Ook de gemeentewapens op de zijkanten maakten duidelijk waar de bus vandaan kwam. Maar er was nog iets dat deze bussen gemeen hadden. De wagennummers. Vrijwel alle wagennummers die tussen 1966 en 1988 op de rode standaardbussen zijn geplakt, zijn in een karakteristiek lettertype, dat onlosmakelijk verbonden is met de standaardbus. Klein detail, bus 301, de allereerste CSA-bus had een wagennummer in een iets ander lettertype.

Het is tegenwoordig lastig om te achterhalen waar dit lettertype vandaan komt. Zelfs de naam is onbekend. Wel is duidelijk dat sinds de jaren 90 van de vorige eeuw de animo voor dit lettertype flink afnam. Nadat vervoerbedrijven steeds vaker een eigen huisstijl hanteerden, werden ook de wagennummers veelal aangepakt. Een digitale speurtocht naar de herkomst van het CSA-lettertype leverde in ieder geval niks op. Ook diverse websites die aan de hand van een plaatje het juiste lettertype weten te vinden, kwamen niet met een goede treffer op de proppen.

De kans is groot dat dit lettertype nergens digitaal bewaard is gebleven.

Aan de hand van archiefmateriaal en eigen onderzoek is dit lettertype gedigitaliseerd. Het zal binnenkort beschikbaar zijn.

Het lettertype van… de postzegels

Tussen 1976 en 2002 waren in Nederland zeer kleurrijke postzegels in omloop. Met enkel een kleurverloop, de frankering en de aanduiding “Nederland” deed de postzegel precies wat ervan verwacht werd. Elke waarde had een eigen kleur. Het lettertype dat op de zegel gebruikt werd, is tegenwoordig bekend als Gridnik en werd in 1974 ontworpen door de Nederlandse ontwerper Wim Crouwel.

Aanvankelijk was het lettertype bedoeld voor het Italiaanse bedrijf Olivetti, dat bezig was met de productie van elektrische typmachines. Het lettertype heeft enkele karakteristieke eigenschappen, zo zijn alle lijnen even dik en zijn de letters gebaseerd op een grid, met hoeken van 45°. Crouwel voltooide deze opdracht uiteindelijk niet omdat de opdrachtgever, Olivetti, constateerde dat de vraag naar elektrische typmachines behoorlijk afnam.

Crouwel besloot dit lettertype aan te passen en in te zetten voor de ontwerpopdracht die hij van PTT Post had gekregen; het ontwerpen van een nieuwe postzegel. Hoewel niet iedereen binnen de PTT overtuigd was, werd uiteindelijk zijn ontwerp in productie genomen. De nieuwe cijferzegels vervingen de reeks die van 1946 tot 1976 in omloop waren, ontworpen door Jan van Krimpen. Het schijnt dat Crouwel zich heeft laten inspireren door deze reeks.

Het lettertype dat destijds ontworpen is, heette aanvankelijk Politene; de naam die door Olivetti was uitgekozen. De naam Gridnik is later aan het lettertype gegeven, nadat de originele tekeningen zijn gedigitaliseerd door The Foundry, een Brits typografisch bedrijf. De naam is een verwijzing naar de methode waarop de letters zijn getekend en naar verluidt de bijnaam van Wim Crouwel.

Doordat Gridnik is gedigitaliseerd kan men een licentie aanschaffen via diverse websites.

Het lettertype van… de nieuwe straatnaamborden

ANWB-Uu is de naam van het lettertype dat een roerige geschiedenis kent. Ooit bedoeld als opvolger van de lettertypeserie ANWB-Cc/Ee, tegenwoordig enkel nog officieel in gebruik op straatnaamborden.

Dit lettertype is in 1997 ontworpen door Gerard Unger tijdens een studie naar een nieuw ontwerp van de Nederlandse bewegwijzering. De ANWB liet deze studie uitvoeren. Als resultaat hiervan ontstond niet alleen een nieuw lettertype, ook de symbolen en de pijlen werden vernieuwd. In 2001 werd het plan gepresenteerd.

Rijkswaterstaat, dat eindverantwoordelijk was voor de richtlijn, was niet tevreden over meerdere punten, waardoor onder andere het lettertype niet in gebruik genomen zou moeten worden. Redesign, zoals het project heette, werd uiteindelijk op de lange baan geschoven. Dit weerhield de ANWB er niet van om het lettertype volop te gebruiken. Zelfs na invoering van een nieuwe richtlijn in 2005, bleef ANWB-Uu nog in het straatbeeld verschijnen.

In 2014 werd uiteindelijk een nieuwe richtlijn voor de nationale bewegwijzering ingevoerd. De vraag naar meer uniformiteit kwam zelfs van de bordenproducenten, die steeds met andere eisen te maken kregen. Inmiddels was ook de Nationale Bewegwijzeringsdienst opgericht, een extra stok achter de deur om de richtlijn goed te implementeren. Effectief betekent dit dat ANWB-Uu vanaf 2015 niet meer gebruikt mag worden op bewegwijzeringsborden. Het oude lettertype, ANWB-Cc/Ee, werd in de richtlijn opgenomen. Wel liet Rijkswaterstaat een eigen versie van dit lettertype maken, dat onder de naam RWS in diverse varianten in gebruik is.

Met deze nieuwe richtlijn is het lettertype niet direct uit het straatbeeld. Uiteraard worden alle borden die deze letters bevatten niet direct vervangen. Daarnaast hebben lokale overheden dit lettertype geschikt geacht voor straatnaamborden; het is zelfs in een NEN-norm opgenomen. De gemeente Utrecht is al een tijd bezig om alle straatnaamborden te vervangen. Ook de gemeente IJsselstein maakt gebruik van dit lettertype op nieuwe straatnaamborden. Er zijn zelfs bordenleveranciers die de snelheidslimietborden in dit lettertype leveren.

Een vreemde keuze, want een van de redenen om dit lettertype uiteindelijk niet in de richtlijnen op te nemen, was de slechte leesbaarheid. De spatiëring tussen de letters was te gering en bepaalde cijfer- en lettervormen waren bij een gemiddelde snelheid al slecht te onderscheiden. Met name bij de kleine snelheidsborden op hectometerpaaltjes is dit een ongewenst effect. Hoewel alle adviezen dit lettertype niet aanraden voor bewegwijzering, zullen we het de komende jaren nog veelvuldig blijven zien.

Midzomernacht

Het is vandaag 23 juni, de dag dat het publieke leven in Estland gedurende twee dagen tot stilstand komt. 23 en 24 juni zijn namelijk beide feestdagen.

Op 23 juni wordt de slag om Cēsis herdacht. Estland en Letland versloegen bij deze Letse plaats in 1919 de Baltische Landeswehr. Deze slag vond plaats tijdens de oorlog die bekend staat als de Estse Onafhankelijkheidsoorlog (Vabadussõda). Het monument op Vabaduse Väljak herinnert daar nog aan.

Sinds 1934 is Võidupüha een jaarlijks terugkerende feestdag, al was het verboden om deze dag te vieren gedurende de bezetting door de Sovjet-Unie. Pas in 1992 was het toegestaan om Võidupüha te vieren in het openbaar. Dat gebeurde destijds in de tuinen van Kadriorg.

Sinds de herwonnen onafhankelijkheid worden er ook militaire parades georganiseerd. Deze worden telkens in een andere stad gehouden, onder het toeziend oog van de president van Estland. Sinds 2015 doen ook steeds meer NAVO-lidstaten mee aan deze parades. Iets dat inmiddels ook in Rusland is opgevallen en daar door de staatsmedia als provocatie wordt gezien.

Naast het bijwonen van deze parade zal de president van Estland ook een vrijheidsvuur ontsteken. Dit gebeurt in de vroege ochtend van 23 juni. Deze fakkel maakt vervolgens een rondreis door het gehele land om op bepaalde locaties vrijheidsvuren te ontsteken, die vervolgens de gehele nacht blijven branden. Tijdens deze ceremonie, die feitelijk gezien twee dagen duurt, dient de Estse vlag aanwezig te zijn, als officieel staatssymbool. Het is ook de enige nacht waarin de vlag niet gestreken hoeft te worden.

Võidupüha gaat vervolgens naadloos over in Jaaniõhtu. De avond voorafgaand aan Jaanipäev. Jaaniõhtu en Jaanipäev zijn zo belangrijk voor de Esten dat zelfs de Sovjet-Unie amper pogingen heeft gedaan om het vieren hiervan verbieden.  Tijdens deze avond komen families bij elkaar om gezamenlijk het begin van de zomer te vieren. Naast zingen, eten en drinken, zijn er nog tal van tradities die niet mogen ontbreken.

Het vreugdevuur (jaanituli) is het belangrijkste onderdeel van deze nacht. Dit vuur verjaagt onder andere de boze geesten. Daarnaast zou het geluk brengen wanneer je over dit vuur zou springen. Het vuur niet ontsteken zou juist ongeluk brengen. Deze nacht markeert ook de zonnewende, het is een van de kortste nachten van het jaar.

Na deze nacht volgt Jaanipäev, de tweede vrije dag. Ook dan wordt er volop feest gevierd, maar in principe niet meer tot in de vroege uurtjes. 25 juni is dit jaar voor de meesten gewoon weer een werkdag.

Typerende typografie

In 2017 zond de BBC de documentaire “Two Types: The Faces of Britain” uit. In dit programma duikt de verslaggever in de geschiedenis van twee zeer bekende lettertypen, die getypeerd worden als typisch Brits. Het betreft Gill Sans en Johnston.

De laatste kent iedereen die ooit met het openbaar vervoer in Londen heeft gereisd; dit is namelijk al sinds 1933 het huisstijllettertype van de organisatie die verantwoordelijk is voor het openbaar vervoer. Johnston introduceerde het lettertype echter al in 1916, het werd toen alleen gebruikt voor de London Underground. Het lettertype is sindsdien zeer goed beschermd geweest door Transport for London, feitelijk mocht niemand anders het origineel gebruiken. Tot 2014, toen het lettertype in het publieke domein terechtkwam, omdat de originele ontwerper langer dan 70 jaar overleden was. Edward Johnston overleed namelijk in 1944.

Gill Sans is in Nederland zeker geen onbekend lettertype. Eric Gill ontwierp dit lettertype in 1928. Wie goed kijkt, ziet overeenkomsten met Johnston. Hoewel dat vaker voorkomt bij ontwerpen uit dezelfde tijd, speelt hier nog iets anders. Eric Gill was namelijk een leerling van Edward Johnston. Daarnaast heeft Gill de lettervormen van Johnston gebruikt als basis voor zijn eigen lettertype. Uiteindelijk werd Gill Sans populairder in het gebruik dan Johnston. Dit heeft met name te maken met de beschikbaarheid. Waar Johnston sinds 2014 pas commercieel te verkrijgen is, zette Eric Gill zijn letters al in 1928 in de markt.

Gill Sans bleef niet onopgemerkt, het werd uiteindelijk jarenlang het huisstijllettertype van de Britse Spoorwegen. Eric Gill, een groot treinfanaat, was bijzonder trots. Ook de BBC heeft het lettertype omarmd. In 1997 werden zowel het logo als alle uitingen van dit bedrijf in Gill Sans gezet.

Maar er zijn meer Britse lettertypen. Rail Alphabet uit 1964 is een andere bekende. Dit lettertype werd speciaal ontworpen voor British Rail. Dit lettertype zou in 1965, nadat het succesvol was geïntroduceerd op het Londense station Liverpool Street, het huisstijllettertype gaan vervangen. Gill Sans zou vervangen worden. Jock Kinneir en Margaret Calvert waren de ontwerpers van Rail Alphabet.

Geen onsuccesvol duo, want enkele jaren eerder, in 1957, ontwierpen ze beiden Transport; het lettertype dat in het Verenigd Koninkrijk wordt gebruikt op de bewegwijzeringsborden. Ook namen zij de verkeersborden onder handen. Het lettertype is zeer goed leesbaar en wordt gezien als goed alternatief voor het Amerikaanse Highway Gothic; waar wij in Nederland een afgeleide van gebruiken; RWS. In Europa maken Griekenland, Ierland, IJsland, Italië, Spanje en Portugal gebruik van Transport. Inmiddels is Transport ook het huisstijllettertype van de Britse overheid.